De actieve probleemstaat

 

Het probleem

 

De belastingen zijn te hoog, en de loonkost is te hoog. Met andere woorden: individueel dragen wij te veel bij aan onze gemeenschappelijke huishouding.  De liberale doctrine stelt dat minder lasten, zowel voor personen als bedrijven, goed zijn voor de economie, werkgelegenheid verschaffen, en bijgevolg weer meer inkomsten voor de gemeenschap betekenen. Tegenwoordig behoort dit simplisme zelfs tot het gedachtegoed van de moderne socialisten. 

 

België heeft, zoals de meeste geïndustrialiseerde landen, zijn welvaart te grotendeels te danken aan een sociaal gestuurde economie en een sociaal zekerheidsstelsel.  Dat zorgt er voor dat minder bedeelde en minder fortuinlijke personen toch een klein deel van de welvaart mee kunnen pikken. Dat Achiel Van Acker er destijds de nakomelingen van de 19de- eeuwse industriebaronnen er toe kon bewegen om een deel van hun winsten te spenderen aan een werknemersverzekeringsstelsel, was eerder te danken aan hun opportunistische angst van het dreigende communisme, dan aan een humane opwelling van solidariteit.

 

De reeds uitgevoerde en nog op stapel staande maatregelen, die een al dan niet belangrijke vermindering van de personeninkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, erfenisrechten en de werkgeversbijdragen beogen,  hebben het logische gevolg dat de staatsinkomsten (gemeenschapsinkomsten) per eenheid verminderen. De beoogde positieve effecten die het totaal volume van die inkomsten moet vergroten en zodoende de balans in evenwicht brengen, laten voorlopig op zich wachten. Enkele (tijdelijke) effecten, zoals een vermeerdering van de aangiften van erfrechten, is eerder een voorbeeld van het gezegde dat één zwaluw de lente nog niet maakt.

 

Aan de andere kant kent de gemeenschap een gestage groei van haar uitgaven. Het fenomeen van de vergrijzing en het verhogen van de levensduur, zorgen er voor dat er steeds meer, en voor een langere periode, pensioengerechtigden zijn. Het spreekt voor zich dat juist deze categorie een groot aandeel heeft in de gezondheidskosten. Mede door de gestage winstgroeihonger van de farmaceutische bedrijven en de ‘industrialisatie’ en commercialisering van de ziekenhuizen, groeien die kosten op onverantwoorde wijze

 

Bij gebrek aan een degelijk onderbouwde argumentatie van zowel voor- als tegenstanders ben ik bang dat maatregelen zoals een zilverfonds (is dat nu leeg of niet?), langer werken, levenslang leren, activeren en innoveren, allemaal spreekwoordelijke druppels op de hete plaat zijn.

 

Na zeven jaar streven naar een “actieve welvaartstaat” is België misschien wel actief, maar dan eerder een actieve probleemstaat.  Zoals zijn illustere voorgangers van de vorige drie decennia, zal ook Verhofstadt en de zijnen niet de geschiedenis ingaan als diegenen die een oplossing wisten te vinden voor de ouderdomskwalen van een terminale kapitalistische egocentrische maatschappijvisie waar de mens ten dienste van de economie, en de economie ten dienste van het kapitaal staat; waar groei van individueel bezit en welvaart een noodzaak is om het ganse systeem draaiende te houden.

 

Aan alles komt een einde. Maar vooralsnog blijft men echter vasthouden aan de gedachte dat de groei van de economie en welvaart daar een uitzondering zou op zijn, of dat het einde daarvan nog lang niet in zicht is.

 

 

De oplossing?.   

 

Behalve in dictatoriale regimes, is het bij ons niet mogelijk om zonder meer maatregelen te treffen, tegen de wil in van een meerderheid van de politieke macht, de media, de mensen of sterke belangengroepen. Dus zijn maatregelen meestal compromissen tussen recht- en onrechtvaardigheden, waar- en onwaarheden, winsten en verliezen, geven en nemen. Bij compromissen wint of verliest iedereen. Ons sociaal zekerheidstelsel is in heel wat van haar facetten een voorbeeld van een compromis waar iedereen bij wint. Iedereen, ook diegenen die het niet nodig hebben, geniet bij werkloosheid een uitkering, bij ziekte van gedeeltelijke terugbetaling van de kosten, en bij het ouder worden een pensioen. ( in veel gevallen de welstellende zelfs veel meer dan de arme)

 

Juist dat was indertijd het compromis: De ‘rijken’ waren wel bereid bij te dragen, zelfs naargelang hun inkomen (op arbeid), maar die solidariteit geldt enkel voor wat betreft de ‘meer’-bijdragen. Van solidariteitsbijdragen zonder daar zelf van te kunnen genieten was geen sprake. Het gevolg daarvan is dat heel wat gemeenschapsgeld uitgedeeld wordt aan mensen die het, gezien hun inkomen niet nodig hebben, en het best zonder kunnen stellen.

 

Misschien is ons ganse gemeenschapsstelsel (directe en indirecte belastingen, werkgevers en werknemersbijdragen) aan een diepgaande hervorming toe.

 

Misschien moeten wij wat de inkomsten betreft, afzien van ons systeem om aan elke bijdrage en een deel van de belasting een aparte naam en bestemming te geven. Op die wijze ontneemt men de indruk dat ik voor “mijn” pensioen, “mijn” ziekteverzekering en “mijn” risico op werkloosheid betaal, i.p.v. dat ik dat doe voor diegenen die NU op pensioen, ziek of werkloos zijn. Misschien moet men eindelijk eens écht werk gaan maken van de strijd tegen belastingontduiking en de inspectiediensten daarvoor voldoende middelen en mensen geven.  

 

 Misschien moeten wij voor wat de uitgaven betreft, naar de essentie van het begrip ‘sociale zekerheid’ en naar een systeem dat een periodieke vergoeding verstrekt, enkel en ALLEEN aan diegenen, die al dan niet tijdelijk, niet of onvoldoende in staat zijn (of gesteld worden) om voor zichzelf een menswaardig en sociaal aanvaardbaar inkomen te verwerven en/of bij ziekte of ongeval moeilijk of niet de  bijkomende kosten kunnen dragen. Misschien moeten wij , zoals bij studiebeurzen, het toekennen van kinderbijslag afhankelijk van het inkomen maken. Als wij er dan ook nog kunnen (willen) voor zorgen dat men de zorgsector, via  dokters, specialisten, zieken- en verzorgingshuizen en farmaceuticabedrijven, de gezondheid- en bejaardenzorg,  niet misbruikt  om onverantwoorde winsten te maken of  rijkdom te verwerven, zal de gemeenschap heel wat minder onnodige ziektekosten dienen te financieren.

 

Ik ben mij echter wel bewust dat één en ander enkel op Europees vlak kan veranderd worden en dat, zowel bij personen, bedrijven als instellingen, het afnemen van “waar men recht op heeft” (?) en wat men altijd al heeft gekregen, niet bepaald iets is waar men in een democratisch bestel als politieker mee scoort. Maar het feit dat een dergelijke stelling politiek, en/of  sociaal niet haalbaar of verkoopbaar is, mag  een socialist er niet van weerhouden om  ze te verkondigen, ook al zou een groot deel van zijn partijsympathisanten en zelfs een deel van zijn “kameraden”  bij dergelijke maatregelen zelf heel wat moeten inleveren.

 

De actieve welvaartstaat zal dus tot nader order een probleemstaat blijven.   

 

Renaat van Poelvoorde